Predikheren (Dominicanen)

De dominicanen of predikheren (Ordo Praedicatorum, O.P.) vormen een kloosterorde die in 1216 is gesticht door Dominicus Guzman (circa 1170-1221), ten tijde van de kruistocht in de Languedoc tegen de Katharen. Een van de eerste kloosters werd in Toulouse gevestigd. De dominicanen (actieven) kregen van paus Gregorius IX met de pauselijke bul Ille humani generis in 1231 de inquisitietaak opgedragen. Deze orde behoort met onder andere de franciscanen tot de bedelorden. De dominicanen volgen de Regel van Augustinus en eigen constituties.

In de dertiende eeuw had de orde in Europa een enorme groei doorgemaakt. Al in de veertiende eeuw waren er klachten over verslapping, net als binnen andere orden, maar tegelijk bloeide de dominicaanse mystiek.
Begin zestiende eeuw treden de dominicanen sterker naar voren. Maarten Luther raakte juist met dominicanen in conflict. In Spanje becommentarieerden theologen als Bartolomé de Las Casas en Francisco de Vitoria de theologische en juridische implicaties van de veroveringen in de Nieuwe Wereld. Zij staan tot op zekere hoogte mede aan de oorsprong van het volkenrecht en de mensenrechten.
Vele Dominicaanse bisschoppen en theologen namen deel aan het Concilie van Trente dat de Contrareformatie inluidde. Paus Pius V stelde de traditie in dat de pausen het witte gewaad van de dominicanen dragen, echter zonder de zwarte mantel. Aan de dominicanen is sinds eeuwen de functie van magister palatii toevertrouwd, de "huistheoloog" van de paus.
 
De Dominicaanse spiritualiteit neemt zeer verschillende vormen aan. Belangrijke elementen zijn de grote aandacht voor intellectuele vorming en studie, een kritische houding ten opzichte van kerk en samenleving en de inzet om de vruchten van studie en beschouwing door te geven aan anderen. De uitdrukking contemplari et contemplare aliis tradere van Thomas van Aquino, "beschouwen en het beschouwde aan anderen overdragen", wordt in dit verband vaak en terecht geciteerd. Als een orde die speciaal voor de verkondiging is bedoeld, leidde de intensieve bestudering van de Bijbel haast vanzelf tot een passie voor waarheid. Een van de lijfspreuken van de orde luidt dan ook Veritas, waarheid. De tweede taak van de orde, zielzorg, leidde ertoe dat zij vaak de biecht gingen afnemen. Al vroeg kwam de schaduwzijde hiervan in zicht toen de grote theologische kennis van de dominicanen hen bij uitstek geschikt leek te maken om aan de pauselijke inquisitie mee te werken. Enerzijds vertegenwoordigt deze orde zodoende de kern van de kerk, anderzijds bevindt zij zich feitelijk vaak heel letterlijk aan de rand van de kerk en maatschappij. Dit geeft aan het werk van dominicanen tegelijk ook een missionaire dimensie. Een verder motto luidt: laudare, benedicere, praedicare: loven, zegenen, verkondigen.