Cisterciënzerinnen

De orde der cisterciënzers werd 1098 door Robert van Molesme opgericht in de abdij van Cîteaux. De aanleiding was voortgaande vervlakking in de navolging van de Regel van Benedictus in de Franse benedictijnenkloosters, vooral in de Abdij van Cluny. Naar de Latijnse naam voor Citeaux – Cistercium – werden deze kloosterlingen cisterciënzers genoemd. Een van de dochterkloosters van Cîteaux was Clairvaux, waar in 1115 een jonge Bourgondische edelman, Bernardus van Fontaines, tot abt werd gekozen. Als Bernard van Clairvaux werd hij een toonaangevende geestelijke.
Bij de dood van Bernard van Clairvaux in 1153 telde de orde al meer dan driehonderd kloosters, meestal gevestigd in onherbergzame streken, waar men leefde onder grote ontberingen. Die geweldige expansie borg echter de kiem van verval in zich en na 1300 kwam een moeilijke tijd. De vrouwen namen echter de fakkel over en de 13e eeuw werd de Gouden Eeuw van de monialen (= vrouwelijke ordeleden).

De cisterciënzerinnenabdij van Herkenrode was de eerste en mettertijd de grootste voor vrouwelijke cisterciënzers. Terwijl in hun kloosters het innerlijk leven en de mystiek bloeiden, kwamen de mannenabdijen tot rijkdom, vooral bestaande uit grondeigendom ten gevolge van landontginning.
 
Abdijen in Loon: Herkenrode (Kuringen), Abdij Terbeek (Sint-Truiden), Oriënten (Geetbets)