Metseltekens - Metselaarstekens

Hiernavolgend wordt een bondige samenvatting gegeven van het fenomeen: metseltekens. Voor meer detail zie verder op deze site. Voorbeelden?

Sinds de opkomst van het baksteenmetselwerk in West-Europa in de 12de en 13de eeuw hebben metselaars de misbakken stenen, een logisch verschijnsel bij primitieve veldovens, mee verwerkt in hun constructies. Het gaat om zwarte stenen in roodbakkende klei, rode tot gelige stenen in geel bakkende klei, groenig geglazuurde stenen bij gebruik van zouthoudend turf als brandstof voor het bakproces. Er werden zowel vlakvullende versieringen toegepast als individuele tekens. Deze gewoonte komt in gans de West-Europese regio voor en op uiteenlopende soorten van gebouwen zodat men a priori kan stellen dat hun ontstaan niet moet worden gezocht in een opdracht van de bouwheer, noch in een speciale verwijzing naar bouwheer of activiteiten die werden uitgeoefend in de betreffende gebouwen. Tot op heden zijn er trouwens geen geschreven verwijzingen teruggevonden (opdracht, richtlijnen..) die dit zouden tegenspreken. De toch herkenbare uniformiteit in de diversiteit toont ook aan dat het niet gaat om handmerken, sibbetekens of handtekeningen van de metselaar zelf. Slechts in secundaire orde zijn er enkele tekens met vergelijkbare specifieke details die zouden kunnen verwijzen naar dezelfde uitvoerder(s), maar in se dus geen handteken zijn.

Bij analyse van de voorkomende tekens ziet men duidelijk een balanceren op de lijn tussen creatieve esthetiek en een apotropaeïsche (bezwerend-beschermende) reflex van onze voorouders. In tijden waar men vaak overgeleverd was aan onbegrepen natuurverschijnselen, ongekende ziektes, en oorlogsdreiging steeds om de hoek loerde, deed men beroep op alle mogelijke middelen om hulp en bescherming af te smeken. Deze apotropaeïsche attitude is/was verder ook nog terug te vinden in smidestekens op muurankers (maalkruisen met enkele strepen boven en onder), geveltekens op het einde van de daknok, gekalkte tekens op oude hoeves, huislook op de nok van rieten daken (als afweer tegen bliksem), windwijzers, bovenlichten…

Vanaf de opkomst van het baksteengebruik wil men aan grotere baksteenvlakken toch wat extra’s toevoegen. Veelal gaat het om gekoppelde ruitvormen in diverse varianten. Dit vinden we vooral terug in baksteenkastelen in Polen (Zamec), Frankrijk (Châteaux, Manoirs, Colombiers) en Engeland (Hall’s en Manors). Bij vlakvullende en grotere metseltekencomposities ligt de esthetiek toch wel meer op de voorgrond.


Fig.1: de typologie van de basistekens uit de eerste periode

In de eerste metseltekenperiode (ca. 1200 tot 1500) komen als losstaande metseltekens vooral maalkruisen, ruiten en calvariekruisen voor, en verder, maar eerder uitzonderlijk: odal-figuren, hexagram, kelk, levensboom en toren. Bij de individuele tekens is het moeilijk om twee volledig identieke tekens terug te vinden. De vorm of de grootte verschillen of er worden delen aan toegevoegd. De metser maakt een creatieve interpretatie van een symboolarsenaal dat toch in het algemeen geheugen gegrift blijkt te zitten. Maalkruisen, ruiten en odalfiguren kwamen ook voor in de in onze regio’s hoofdzakelijk orale Keltische cultuur. Zelfs wanneer lezen en schrijven meer toegankelijk werden voor een deel van de bevolking werden elementen uit deze orale cultuur nog heel lang nadien mondeling verder overgeleverd. Voor ons lijken dergelijke tekens extra geheimzinnig omdat wij geneigd zijn de link te maken met de ons aangeleerde geschreven symbolen. En die attitude verwacht bij ieder teken een duidelijke en vast omlijnde betekenis, net zoals bij de leestekens. Die concrete betekenis is er echter niet voor de metseltekens, wat ze een extra dimensie geeft: magisch, geheimzinnig.

Fig.2: verschillende basisvarianten in de ruitvormen

Het maalkruis is een oud teken dat via het ‘Sint-Andrieskruis’ werd verchristelijkt, echter mits behoud van zijn betekenis: een apotropaeïsche verwijzing naar gave, erfelijkheid, vruchtbaarheid (agrarisch): bede tot een goede opbrengst. De ruit kwam ook voor in de runentekens (als “ing” of “g”) en had een vergelijkbare inhoud als het maalkruis, maar met een accent naar (menselijke) vruchtbaarheid toe. Het Odal-teken is gekend als laatste runenteken van het Futhark, de benaming voor verscheidene oudgermaanse runenalfabetten. Het staat voor bescherming van het eigen hof en goed. Het kruis daarentegen is vanuit het christendom het teken bij uitstek om bescherming te vragen. Het staat bijna steeds op een driehoekige voet, een verwijzing naar de calvarieberg. Metseltekens komen in deze periode significant meer voor op onregelmatige plaatsen of asymmetrisch geplaatst. De geesten of ongekende natuurkrachten waarvoor ze bedoeld waren zouden ze zeker wel zien!

 

Fig. 3. De nieuwe metseltekens uit de tweede periode.

Vanaf ongeveer 1500 tot ca. 1700 is er een evolutie naar meer mededelende tekens. Er is de opkomst van jaartallen en toch eerder uitzonderlijk het gebruik van letters. Het lijkt logisch dat in deze periode tekens meer in straatgerichte gevels voorkomen. Bij de individuele tekens herkent men een verchristelijking van de vermeend heidense tekens. Het apotropaeïsche karakter blijft echter behouden. De meest voorkomende nieuwe tekens zijn: harten, toverknopen, calvariekruisen, maalkruisen en uitzonderlijk: gevulde kelken en vuurslagen. De periode loopt samen met een intense opleving van de katholieke verering van het Heilig Hart, waarnaar de hartvormen een duidelijke verwijzing zijn. Dit ziet men ook in de varianten met één of twee schuine lijnen (lansen of pijlen) die het hart doorboren. Dit betekent echter dat het hart vergelijkbaar wordt met het kruis: “Heer bescherm ons!!”. Secundair houdt dit echter ook in dat het hart een teken is dat louter in katholieke milieus voorkomt en niet in protestantse. Toverknopen zijn ruitvormen die gestapeld zijn in kruisvorm. Zij zijn algemeen bekend als onheilwerend. Maar in een samenleving waar het geloof steeds vastere greep wil krijgen op heidense uitingen is dit een prachtig compromis. Wie het wil, ziet er een kruis in, anderen zien een compositie met ruiten die worden gevormd door één ononderbroken oneindig doorlopende lijn.
Na ca. 1700 (in het protestantse Nederland zelfs na 1650-1675) verdwijnen de klassieke metseltekens. Er is er een overgang vast te stellen naar ‘neo-tekens’. Hoewel deze vrij algemeen voorkomen zijn ze toch speciaal populair in regio’s als West en Frans Vlaanderen. Er worden composities gemaakt van oude tekens waarbij de compositie in se belangrijker wordt en de betekenis verder vervaagt. Het apotropaeïsch aspect blijft soms nog latent aanwezig. De zoektocht naar extra bescherming tegen onheil is nooit ver weg in onzekere tijden. Maar het aantal gevallen waar de metselaar iets meer wil vertellen of de composities een hoger decoratief gehalte hebben nemen toch toe: initialen van namen, jaartallen, harten die allicht een meer verruimde betekenis krijgen. De tekens komen nu bijna uitsluitend voor in straatgerichte gevels.

 

Comments