Apotropaia (?) tegen duistere krachten

Een Apotropaeon of Apotropaion (Oudgrieks: ἀποτρόπαιον / apotrópaion; "(onheil) afwerend") is een veiligheidsmaatregel tegen kwade krachten (Evil Forces). Het meervoud is Apotropaia.
Mensen hebben zich eeuwenlang willen beschermen tegen boze geesten, duivels en heksen, weersomstandigheden, een onzekere toekomst... Apotropaeïsche reflexen vindt men over de ganse wereld terug in alle mogelijke continenten, bij alle soorten rassen, onafhankelijk van hun religie. De reflex lijkt zijn oorsprong te vinden in de oersamenleving waar de mens erg afhankelijk was van de natuur en vindt hoofdzakelijk stimulansen in onzekere tijden en omstandigheden. 
 
In onze hedendaagse geseculariseerde maatschappij is - op enkele uitzonderingen na - de typische apotropaeïsche reflex verdwenen, is de verering van beschermheiligen compleet in onbruik geraakt. Wat alles te maken heeft met de technische, wetenschappelijke en sociale vooruitgang die zo kenmerkend is geweest voor de tweede helft van de 20ste eeuw. De opbrengst van onze oogst wordt verbeterd met kunstmest, insecten worden met chemische middelen bestreden, tegen ongelukken of rampen zijn we verzekerd, bij psychische problemen wordt een therapeut geraadpleegd ... Wie heeft, met andere woorden, nog de tussenkomst van een beschermheilige nodig? Of een metselteken op de gevel om zijn gebouw, familie of goederen te beschermen?

Het protestantisme probeerde heel wat van die symboliek een halt toe te roepen. Verder speelde de Franse Revolutie een belangrijke rol bij de afbouw van de heiligenverering. Onder druk van de overheid werden vele verenigingen afgeschaft, wat leidde tot het verdwijnen van gildealtaren en -kapellen in de kerken. De sociale emancipatie en uitbreiding van de schoolse opleidingen zorgden voor een verdere ontvoogding. Werknemers werden almaar beter beschermd door sociale wetten en verenigden zich in vakbonden die de belangen van hun leden verdedigden. De technische en wetenschappelijke ontwikkelingen brachten antwoorden op zo vele vragen.

Tot en met de 19de eeuw eeuw leefde de grote meerderheid van de Europeanen in een statische agrarische maatschappij en volgde men de cadans der seizoenen. Steeds heeft de mens ernaar gestreefd zijn mysteriebeleving, zijn religiositeit, rituelen en liturgie te projecteren in zijn natuurlijke werkelijkheid. 
Bij concrete Germaans-Keltische beelden, symbolen, mythen en rituelen moest de volksmens herkenbare abstracte lering ontberen gezien alles oraal werd over geleverd. Zo geraakte echter de werkelijke betekenis van hun religieus denken en handelen overwoekerd en vergeten. 
 
Vele christelijke heiligen en christelijke feesten gaan terug op oudere goden en rituelen. De Roomse kerk stelde inderdaad gedurende eeuwen alles in het werk om de heidense erfenis in een christelijke vorm te gieten. Men kan stellen dat de vorm van de symbolen en de riten veelal dezelfde bleef, de betekenisinhoud evenwel veranderde naargelang de culturele context. Met andere woorden de nomina (namen) zijn veranderd, maar de numina (heilige krachten) zijn wezenlijk gelijk gebleven.
 
In een tijd waarin de rechtspraak nog klassengebonden was, waarin geen sociaal vangnet bestond en er geen wetenschappelijke hulpmiddelen of degelijke verzekeringsstelsels voorhanden waren, was er geen andere uitweg over dan het inroepen van hulp van bovenaf. Niet enkel tegen ziekten werden heiligen aanroepen, maar ook tegen allerlei plagen, ongelukken, natuurrampen, ongemakken of gevaren. Het inroepen van de hulp van de zogeheten beschermheiligen vormde naast de verering van de geneesheiligen dan ook een niet te onderschatten onderdeel van de volksdevotie. Die kende nog een andere belangrijke pijler, ontstaan uit het gebruik van middeleeuwse ambachtslieden om zich te verenigen in gilden onder de bescherming van een heilige. Deze schutspatronen en -patronessen kunnen tot de derde grote groep heiligen worden gerekend wier verering eeuwenlang van belang was in onze streken. De keuze van een bepaalde beschermheilige tegen een of andere ramp of ongeluk ging terug op een feit uit diens vita of legende, op de manier waarop hij werd afgebeeld, op zijn (martel)dood of op een mirakel dat hij had verricht.
 
Het kader waar binnen deze duizenden volkse heiligen functioneerden was apotropaïsch: het draaide allemaal rond een bede tot bescherming, een afwering tegen onbekende krachten. Maar ook de gedragen insignes, metseltekens, huiselijke/rurale apotropaia, wolfseinden op daken, figuren op pannendaken, smidstekens op gevelankers zijn uitingen van diezelfde apotropaeïsche reflex...