Dakconstructies

In Vlaanderen werden drie systemen van dakconstructies toegepast: het sparrendak of sporenkap, het dak met flieringen op wandstijlen en het gordingdak.
Het gordingdak bestaat uit een reeks driehoekspanten met een sterk langsverband: schuinliggende langsgerichte balken die in de kepers ingelaten waren.

Het dak met flieringen op stijlen bestond uit een H-vormig tussengebint (een gebintbalk die met pen- en gatverbinding tussen twee gebintstijlen werd verankerd met de ankerbalktechniek) en een aantal flieringen (rechtliggende langsgerichte balken) die met pen- en gatverbinding plat liggend op de wandstijlen werden vergaard (dit in tegenstelling tot de schuinliggende gordingdaken). Deze H-vormige constructies werden ook tot een stijf geheel gemaakt door in de dwarse richting aan weerszijden van de dakstoelstijlen neerwaartse schoren te plaatsen die elk door een of twee wandregels gekruist werden om het vakwerk in dit geveldeel te kunnen maken en door binnen de H-vormige structuur van de dakstoel opwaartse schoren in te bouwen.

Tenslotte is er de sporenkap of het sparrendak. Het bestaat in zijn meest eenvoudige vorm uit een reeks paarsgewijs opgestelde daksparren of sporen. Deze waren met toognagels op de muur- of wandplaten van de huisstoel bevestigd. Ze ontmoetten elkaar in de top meestal in een halfhoutse verbinding en bevestigd met toognagel. Eén of twee hanenbalken beletten het doorbuigen van de kepers. Er is in deze eenvoudige sporenkappen geen langsverband buiten de strolatten of het dakbeschot. Het probleem was van bij het begin duidelijk: de verzakkingen of hellen van de daksparren. In landelijke architectuur heeft men daarvoor schilddaken gemaakt. De winden hadden zo minder vat op de kapconstructie. Kleine constructies in vakwerk konden met deze schilddaken en daksporen het constructieprobleem oplossen. Voor bredere constructies was men genoodzaakt dakstoelen met scheer- of schaargebinten in de sporenkappen te bouwen. Deze voorzien meteen een langsverband, waardoor de stabiliteit van de dakconstructie in de hand gewerkt wordt.

Schaargebinten met flieringen werden ervaren als het meest geschikte bekappingsysteem om in de klimatologische omstandigheden in onze streek kapconstructies te maken en om de drukkrachten op het dak en het gewicht van de dakhuid over de dak – en huisstoelstijlen heen af te leiden. Schaargebinten konden op elkaar geplaatst worden (tot vier en vijf gebinten toe) voor bredere ruimten. Ze konden met of zonder nokgebint gebouwd worden. Omstreeks het midden van de 16de eeuw ontstaat het klassieke gebint met een of meerdere schaargebinten met nokgebint.

H-gebint met flieringen