Houtsoorten en import

Millen (Riemst): Spaans huis, ook bekend als hof van Eggertingen
Riemst, Hof van Eggetingen, ca. 1545.
 
Vanaf de 13de eeuw was er een grote bevolkingsexplosie met een toenemende nood aan woningen en publieke gebouwen. De houtschaarste die zich vanaf de 14de eeuw voordeed, verhoogde de import uit het buitenland, bespoedigde de bak- en natuursteenbouw (wanneer de economische omstandigheden dit toelieten) deed de timmerlieden het potentieel van het hout maximaal benutten (dunnere balken voor zelfde functies) en moedigde het gebruik van andere houtsoorten als den.

Men gebruikte bij voorkeur eikenhout (quercus robur). Deze houtsoort was hard, makkelijk te bewerken, duurzaam en weerbestand. Verwering en drogen van eikehout maakt balken duurzaam. Zowel zomereik als wintereik en eikenhout uit vochtige als uit droge bodems werd gebruikt: dit hout werd indien de lokale voorraad ontoereikend was, meestal uit het Luikse en Westfalen (voor Limburg) of uit het Balticum (voor Brabant en Antwerpen) ingevoerd. Het vervoer geschiedde zowel met vlotten over de rivieren als met boomwagens voor korte afstanden en te land. Er waren houtmarkten waar de gilden van de houtbrekers het materiaal te koop aanboden.

Naast eik werd ook olm, abeel en den gebruikt. Olm (ulmus hollandicus) werd dikwijls in Zuid-West-Vlaanderen gebruikt. Het is zachter dan eikehout, is taai, blijft goed bewerkbaar maar wordt makkelijk aangetast door houtworm. Olmenhout werd dikwijls voor binnentimmerwerk en binnenschrijnwerkerij gebruikt. In Noord- Frankrijk en Zuid-West Vlaanderen werd het ook gebruikt voor vakwerkarchitectuur. Meestal werden de muurplaten en hoekstijlen in eikenhout gemaakt omwille van de sterkte van deze houtsoort.