Schanslichaam

De meeste schansen waren quasi vierkant. Enkelen hebben een vrij onregelmatige vorm. De Larenschans in Lummen en de Lillerschans (St-Huibrechts-Lille) zijn uitzonderlijk driehoekig. De Gerheideschans in Olmen en de Kleine Brogelschans zijn vijfhoekig, de verdwenen schans van Gerheide (Olmen) was allicht zeshoekig. 

Bij het onderzoek van het archeologisch bureau RAAP in opdracht van het agentschap R.O. Vlaanderen werden via boringen doorsnedes gemaakt van schans en grachten waarbij veelal een door mensen aangebrachte verhoging van het schanslichaam werd vast gesteld van 70 tot 90cm. Het ging hier duidelijk om een originele verhoging om in moerassig gebied zeker te zijn van een droog schansterrein. De aangevoerde grond was soms droge heidegrond die vanop een zekere afstand was aangevoerd. Samen met het uitgraven van de grachten moet dit een enorm werk zijn geweest. In andere schansen die allicht droger waren, werden enkel sporen van een nivellering terug gevonden.