Ligging

Bij de inplanting van het merendeel van deze boerenschansen werd duidelijk rekening gehouden met twee elementen: 
- een erg laag gelegen terrein liefst aansluitend op een groter moerasgebied en met beperkte toegankelijkheid. 
- een korte afstand tot de woonomgeving. 

In droge zandgronden als in Lommel is het maken van natte grachten geen vanzelfsprekendheid. Vandaar enkele voorbeelden van schansen die vermoedelijk een droge gracht hadden. In Het Gelders gedeelte van het Gelders Kwartier waren een aantal bosschansen bekend met droge grachten. Maar ook in Zutendaal wordt gewag gemaakt van een droge schans. 

Slechts enkele schansen liggen dicht bij een grotere weg en/of in het centrum van de heerdgang: de Steegschans (Balen)de Boerentang (Brasel-Dessel)Dorp (Dessel)de Gasthuisschans (Meerhout)de Dorpsschans (Gestel-Meerhout)Overlaar (Mol centrum)de Dorperschans (Neeroeteren) en de Dalerschans (Zutendaal). In Nederland: de Tungelroyschans (Weert) en de Roeventerschans in Nederweert. In Duitsland: het Schänschen in Nettetal. Het schansengebied strekt zich uit over de Limburgse en Antwerpse Kempen met een uitloper over de Maas achter Venlo. Navolgende kaart toont dat er vooral in het westelijk deel van dit gebied een grote concentratie van schansen was. Midden-Limburg was op zich veel dunner bevolkt, waardoor er een kleinere nood was aan schansen. Ook in de lijnen Nederweert-Stramprooi (NL) en Straelen-Nettetal (D) waren er behoorlijk wat schansen.