Twee evolutie-scenario's


Verder gaand op wat hoger werd besproken kan men twee typescenario’s voorop stellen in de geschiedenis van de boerenschansen. Maar allicht zullen er ook mengvormen geweest zijn.

In een eerste scenario is de gebruiksfrequentie van de schans eerder laag. Qua schansorganisatie kwam er (minstens) één portierswoning. Die startte als een eenvoudig lemen huisje met strodak om na jaren te evolueren naar een stenen constructie. Wanneer de hutten van de schanslieden echter zo schamel waren als hoger vooropgesteld schoot er dan na een jaar van onbruik meer over dan een krot rond een stenen schouw? En als er iets recupereerbaars overbleef zoals houten onderdelen, zal een goed huisvader dit opruimen en droog stapelen, om het opnieuw te kunnen gebruiken in een volgende onheilsperiode. Er is in periode van nood weinig tijd nodig om opnieuw zo’n hutje in mekaar te knutselen. Bij een incidentele vlucht naar de schans zal kamperen voor een of twee nachten niet onoverkomelijk zijn wanneer men hiermede familie en vee kan veilig stellen. Moet je het art. 18 van het schansreglement van Moesel (Weert-NL) in dit licht zien?: Een ieder moet zijn plaats zodanig beplanten, dat deze niet verdort; anders zal hij een nader vast te stellen boete moeten betalen.

Wanneer men maar beperkt op de schans verblijft, blijft het gemeenschapskarakter van het perceel gemakkelijk bewaard. Ook de stap om opbrengst te genereren door verhuur, gebruik als weide etc. blijft klein. Dient men zich in dit scenario een schans in een rustige periode voor te stellen als een weide met enkele gemetste schoorstenen en misschien wat gestapeld hout? Of zelfs als louter weide met enkel een portierswoning?

In periodes en op plaatsen van frequenter gebruik deed zich allicht een tweede scenario voor waarbij extra werk werd geleverd om de hutten meer leefbaar te maken. Zo geraakten met het verloop der jaren in functie van de gebruiksfrequentie de hutten beter afgewerkt en evolueerden ze naar een constructie die meer kon worden bestempeld als huis. Maar in dat geval is het ook begrijpelijk dat men, niettegenstaande het feit dat het ging om gemeenschapsgrond, zich de plaats meer en meer toe-eigende. Allicht gingen er ook meer personen permanent wonen op de schans, toestand die zich uiteindelijk, allicht via verjaring, legaliseerde. In dit scenario is het ook logisch dat de individuele eigendommen als dusdanig werden voorgesteld in de Atlas der Buurtwegen of bij het kadaster. Deze toestand evolueerde vanaf de achttiende eeuw dan verder doordat mensen ook één of meerdere aangrenzende perceeltjes kochten om een iets grotere leefoppervlakte te verkrijgen.

De kleine woning die in Bokrijk is heropgericht op de schans betreft een klein lemen huisje uit Beverlo dat in se geen link heeft met een schans. Het gaat om een typisch vrijstaand huis en wijkt in dat opzicht af van een gehele opvulling van het schansperceeltje. Maar misschien geeft het toch enig idee van een beter schanshuisje in een latere periode van dit tweede scenario.