Algemene omschrijving

(Deze tekst is deels overgenomen van Guido Pirotte, Zonhoven, 28mei 1991).
De primaire betekenis van schans is takken- of rijsbos. Hier­mee bedoelt men de mutsaards (bij uitbreiding ook ander levend houtgewas) die als borstwering op de aarden wal fungeerde. Door betekenisverruiming kreeg schans de betekenis van een verdedigingswerk.

 

Uit de talrijke oprichtingsakten blijkt dat de schansen ontstonden vanaf het einde van de 16de eeuw en in de loop van de 17de eeuw. Nochtans waren er elders al eerder dergelijke verdedigingswerken opgericht. Het concept was reeds lang gekend bij Kelten, Romeinen, Noormannen maar dan vooral in militaire kringen. Van de 11de tot de 13de eeuw werden behoorlijk wat mottekastelen met bijhorend neerhof opgetrokken door de beter begoeden, steeds omgracht. Ook grotere hoeves (zonder toren) kregen hun eigen omgrachting ter bescherming. In de kempen zijn het geen militairen die schansen bouwden maar de gewone burgerbevolking. En dit is een unicum.

 

In de talrijke oorlogen tijdens de 16de, 17de en 18de eeuw blijft Luik neutraal. Neutraliteit betekent in die tijd dat vreem­de troepen ongehinderd over het grondgebied mogen trekken en er zelfs hun kamp mogen op­slaan. Het is dan ook een ideale plaats voor de legers om uit te rusten en zich te bevoorraden. Maar ook louter door haar ligging zit het Prinsbisdom Luik geprangd tussen de toenmalige grootmachten en is daardoor vaak een onvermijdelijke transitzone voor strijdende legers. Dit brengt heel wat nade­lige gevolgen voor de plattelandsbevolking met zich mee. Vooral de inkwar­tie­ring van legereenheden tij­dens de winter­maanden is een echte plaag. Nochtans kan heel wat ellende vermeden worden indien er een permanente legermacht bestaat. Een perma­nente legermacht is echter een machtig wapen in handen van de Prins­bisschop­pen. Wat dan weer onduldbaar is voor de derde stand (de edelen uit de steden) die mee het bestuur van het Prinsbisdom bepalen. Volgens hen is de oprichting van een permanente legermacht in strijd met het neutraliteitsprincipe.

 

De directe aanleiding voor de oprichting van de (boeren-)schansen dient gezocht te worden tijdens de 80-jarige oorlog (1568-1648). Op het einde van de 16de eeuw verblijven in onze regionen heel wat Spaanse en Nederlandse soldaten. Een militaire doorgang tussen de noordelijke en zuidelijke Nederlanden verliep vaak via Venlo, Bree, Peer, Helchteren, Koersel, Beringen, Diest. Een belangrijke doorgang bevindt zich ook van Sint-Truiden, over Borgloon en Tongeren naar Maastricht. Door de totaal ontwrichte financiële toestand van de staatskas van beide landen is het onmogelijk om de soldaten op regelmatige tijdstippen te beta­len. Dit betekent dat de huurlingen bijna steeds zonder geld zitten en zich als echte rovers gaan gedragen. Zonder leger is de plattelandsbevolking volkomen weerloos tegen deze uitgehongerde bendes. Door zelfbehoud gedreven, vraagt de burgerbevolking dan ook aan de Prins­bisschop de toestemming op een stuk "gemene grond" een eigen verdedigingswerk te mogen oprichten. Begrijpelijkerwijze wordt dit niet al te graag toegestaan omdat de bevolking versterkingen ook tegen zijn heer en meester kan gebruiken. Anderzijds is het ook moeilijk om een kei het vel af te stropen. Aangezien hij zelf niet kan zorgen voor de bescherming van de bevolking, verleent hij de toestemming om een schans op te richten op de gemeenschappelijke grond, waarbij hijzelf alle rechten behoudt en ten allen tijde het bevel kan geven om de schans terug af te breken.

 
Terwijl er in Haspengouw heel wat stenen winningen en versterkte burchten gebouwd werden om in te schuilen, was dat in het noorden nauwelijks mogelijk. Afgezien van de omwalde stadjes Bree, Peer en Hamont en enkele versterkte kerkjes konden de Kempenaars nergens terecht. Daarom liet de prins-bisschop hen toe schansen te bouwen. Die schansen lagen meestal in moeilijk toegankelijke waterrijke gebieden. Rond een stuk grond, soms een hectare groot, werd een gracht gegraven van 4 tot 10 m breed. Met de opgedolven aarde werd een wal aangelegd (2à3m hoog) die met houtgewas werd beplant of met palen en vlechtwerk versterkt.
 
<-  Schans van Schaffen: links is nog een restant van de verhoging van een hoekbastion merkbaar.
Schans 't Hasselt, Overpelt, hier zijn de voorschans en de hoekbastions zichtbaar
De toegang werd afgesloten met een ophaalbrug en een poort, soms ook met een voorschans. Bij de ophaalbrug stond het poorthuis waartegen een oven gebouwd was. Hierin woonde de portier of schansmeester die permanent toezicht had op de schans. Hij moest de eigendommen van de gemeenschap binnen de schans bewaken en daarbij in ’t oog houden wat er op of rond de schans gebeurde. Daarnaast bestond er een gemeenschappelijke waterput, een bakoven en voorzieningen voor een korte belegering zoals voedsel, veevoeder, hout, huisgerief… Binnen lagen een reeks schansplaatsen waarop de schansgezellen huisjes bouwden. Wie er wilde schuilen, moest toegangsgeld en een jaarlijkse schansgeld betalen.
 
In de archieven vinden we tientallen schansreglementen, hoofdzakelijk in de Kempen en Limburg.
“Jaarlijks werd een schansmeester (kapitein of kapitein-luitenant, kolonel of gouverneur) benoemd: hij moest zorgen voor de organisatie. De manschappen werden ingedeeld in rotten van tien tot vijftien man, onder leiding van een rotmeester (ook jaarlijks verkozen). Die schansmeester moest de wachten organiseren en was verantwoordelijk voor de rechtspraak.”
 
Het is niet zeker dat het schansreglement wel altijd strikt nagevolgd werd. De schanskapitein en de rotmeesters waren immers gewone boeren die geen speci­a­le opleiding genoten hadden en die slechts voor een jaar hun functie be­kleed­den.
 
Enkel de buurtbewoners mochten op de schans vluchten… als ze hadden meegewerkt aan aanleg, onderhoud en bewaking of verdediging. Ze kregen een perceel toegewezen waarop ze een hut konden bouwen en een lapje grond voor hun vee. Zo vormde het geheel soms een dorpje in miniatuur. De rotgezellen (mannen tussen 18 en 59 jaar) moesten beloven hun wapens enkel te gebruiken voor de bescherming van de schans. Die wapens waren erg primitief: een stok met spits ijzer, hooivorken, soms een geweer met minstens een half pond poeder en vijftien kogels.

 

Er bestond een schanskas die o.a. werd gespekt met boetes als het reglement was overtreden. Wie zijn wachtbeurt niet deed, kreeg een boete of kon zelfs zijn plaats op de schans verliezen. Als er vee op de omheining liep, kreeg de eigenaar van het vee een boete. Ook op het beschadigen van de schans stond een boete. De schansmeester controleerde de netheid van de woonplaatsen en de goede afwatering, vooral van het sanitair. Bij een noodgeval luidde hij de stormklok om iedereen te mobiliseren en om de naburige dorpen te verwittigen. Om brandgevaar te vermijden mocht er na negen uur geen vuur, lamp of kaars branden.

 

Iedereen moest meewerken aan de aanleg en het onderhoud van de schans en voor het bewaken van de schans. Het onderhoud van de schans bestond voornamelijk uit het verstevigen en herstellen van de wallen en het uitdiepen van de schansgraaf.

In tijd van gevaar werd er onder toezicht van de schanskapitein of de rotmeester, wacht gelopen door ganse rotten (tien à vijftien weerbare mannen). Op andere ogenblikken waren er slechts een tweetal personen die op de schans zelf patrouilleerden. Dit was noodzakelijk omdat de schansgezellen hun kostbaarste bezittingen steeds in hun schanshut lieten liggen.

 

Voor het afschrikken van roversbenden zal de schans wel degelijk zijn nut bewezen hebben. Legereenheden zullen weinig geïnteresseerd geweest zijn in een schans, maar een passage in de buurt zag men toch liever niet. Vaak werd dan ook onderhandeld met de legerofficieren (of grote groepen plunderaars) om tegen grote afkoopsommen uit de buurt te blijven en de schans te sparen. Dit noemde men dan een 'sauvegarde'. Soms huurden ze soldaten in voor bewaking. Xavier Dalle noemt dit een andere vorm van afpersing.

 

Toch moet het systeem voldoende goed gewerkt heb­ben. Meer dan een halve eeuw na de oprichting van de eerste schan­sen werden er nog nieuwe schansen opgericht. En dit is ondenkbaar indien de schansen niet efficiënt geweest waren. De meeste schansen werden na 1800 door de gemeenschap aan particulieren verkocht.


In de westelijke grenszone van het schansgebied komt vaker de benaming schrans voor. Dit gebeurt ook op franstalige (militaire) kaarten waar zelfs vrij algemeen wordt verwezen naar schransen, ook al wordt lokaal enkel de benaming schans gebruikt. Heeft de toevoeging van de 'r' iets te maken met de verfransing van het Nederlands woord schans, mede gezien de 'sch' ook onbekend is in de Franse taal?