De Metselaar‎ > ‎

Twee stromingen

In de eerste fase van de wederopleving van het baksteengebruik komt in ieder geval het gebruik van vlak- of gevelvullende patronen meer voor.
Hier gaat het om: ruiten of lijnmotieven verspreid over ganse bouwdelen, afgebakende gevelvlakken of minstens grote oppervlakken. De schuine lijn en de ruit zijn hierbij de meest voor de hand liggende vormen die men binnen metselwerkverbanden kan realiseren met baksteenkoppen van een afwijkende kleur. De ruiten komen voor in diverse groottes, soms voorzien van een tweede ruit, kruisje of kop binnenin. In een aantal voorbeelden gaat het om kleine ruiten in aparte rijen, verbonden door schuine lijnen, alsof ze getekend zouden zijn in één doorlopende beweging. Buiten ruiten vindt men ook de regelmatige herhaling van koppen of kruisjes. Tenslotte komen er vooral in Polen en Oost-Duitsland lijnpatronen voor die schuin rond torens draaien of wel een zigzag beweging maken.

 

 

 

 Polen, Chiechanów

 

 

 

 

 

 

Bij een normaal bakproces in veldovens was het aantal stenen van afwijkende kleur eerder beperkt. Eerder dan afzonderlijk afwijkende koppen te gaan bakken of gevelvullende decoraties aan te brengen, gingen metselaars met dit beperkter aanbod op kleinere schaal gekende betekenisgeladen 'mythische' losse tekens aanbrengen. De basistekens waren ruiten en maalkruisen die in de gevelvullende voorbeelden genoegzaam herkenbaar waren. Verder viel men terug op kruisvormen en gekende iconen, symbolen uit de tijdsperiode.

 

Poperingen, Reningelst, St-Vedastuskerk 

 

Vorige pagina                                        Volgende pagina