De Metselaar‎ > ‎Inleiding‎ > ‎

Nauwkeurigheid

 
Bij de plotse explosie van de nieuwe gotisch geïnspireerde baksteencultuur valt het erg op dat er onmiddellijk prachtige vrij grote gebouwen worden opgericht zonder noemenswaardige beginnersfouten.
Dit lijkt enkel te verklaren vanuit de overtuiging dat de technologie om bakstenen te vervaardigen wel degelijk aanwezig was gebleven in West-Europa, allicht door de aanwezigheid van vroegmiddeleeuwse knowhow voor het bakken van dakpannen en vloertegels. Dat er anderzijds (nog) geen metselaars waren, bleek geen obstakel gezien de uitvoering onmiddellijk kon starten via ‘natuursteenmetselaars’. De voorbije 11de en 12de eeuw werden immers tal van omvangrijke Romaanse bouwwerken in natuursteen opgetrokken.
Foto: Wikipedia: Radzyn Chelminski
 
 
Wanneer men de regelmaat van het metselverband en de perfect vormgegeven ruitversieringen in gebouwen als Radzyn Chelminski (rond 1300) en tal van middeleeuwse constructies uit Polen en Oost-Duitsland vergelijkt met deze van de doorsnee gotische baksteenkerken uit de Kempen (1400-1550) valt onmiddellijk het verschil op.

In een erg groot percentage van gebouwen kan een behoorlijk onregelmatig verloop van metselwerkverbanden worden aangetoond. Koppen die in een theoretisch verband mooi verticaal uitgelijnd boven mekaar moesten liggen, bleken in de praktijk al te vaak golvende bewegingen te maken. Met als gevolg dat gevelvullende motieven moeilijk uitvoerbaar waren en te makkelijk een erg onverzorgd uitzicht gingen opleveren.

Bij de vroege voorbeelden (Radzyn Chelminski, Malborg, Dordrecht, Zierikzee, Esquelbecq…) blijkt een perfecte uitvoering helemaal geen probleem. In Polen, Oost-Duitsland, Zuid-Oost-Engeland en Noord-Frankrijk blijft dit, ook in latere periodes, in de meeste gevallen behoorlijk lukken. En waar het (zeker in beide laatste gevallen) minder goed lukt, gaat men het overschilderen om toch een verzorgd en egaal uitzicht te realiseren.
 
Auvergne, Allier, Villeneuve-sur-Allier, Château du Riau 

 

Elders lijkt dit echter vaak meer problemen te stellen, of zijn de onregelmatige uitvoeringen nooit verborgen onder een verflaag. Een voorbeeld hiervan zijn de gevelvullende ruiten van het hoger opstekend deel van de middenbeuk van de St-Quintinuskerk in Hasselt. Hier werd een staand verband toegepast. In de tippen van de dwarsbeuk van de St-Laurentiuskerk van Bocholt is geen vast metselverband herkenbaar. De uitvoering aan de noordzijde lijkt iets beter gelukt dan aan de zuidzijde. Waar in Dordrecht (NL – midden 14de eeuw) het huis Ter Wede voorzien is van perfecte ruiten, lukt het in de tweede helft van de 15de eeuw niet echt meer om geglazuurde koppen mooi te schikken in de grote kerk aldaar. Er wordt gemetst in Vlaams verband, maar dit wordt niet altijd even consequent gevolgd, en waar het verband wel wordt gevolgd zijn de koppen helemaal niet uitgelijnd.

 

 

Ook op de Westzijde van de westertoren van St-Lenaarts vallen twee vlakvullende frontale ruitslingers op in de smalle muurpanden links en rechts van het inkomportaal (op die wijze ook vlakvullend, trouwen vergelijkbaar met de westertoren van Gorcum, Gorinchem – NL, Zuid-Holland, daterend uit dezelfde periode). Wanneer men in detail kijkt (zie figuur nr.4 -links), blijkt de grootte der ruiten te verschillen en komen er links negen ruiten voor, terwijl er rechts over ongeveer dezelfde hoogte slechts acht ruiten aanwezig zijn. Iets vergelijkbaars doet zich voor op de traptoren aan de zuidzijde (zie fig. nr. 4 -rechts). Hier werd niet echt een vast metselverband gehanteerd waardoor enige regelmaat in het verloop van koppen nog moeilijker is te realiseren. Op de grote zijvlakken aan de zuidzijde van de toren waar het metselwerkverband iets regelmatiger is, zijn de tekens beter uitgelijnd. Hier zijn twee vlakken gevuld met ruiten en een derde is voorzien van een uitgebreide ruitfiguur.
De aanwending van donkere koppen als gevel- of vlakvullende decoratie kreeg vooral navolging in Polen, Oost-Duitsland, Zuid-Oost-Engeland en in Noord-centraal Frankrijk. Gaf men elders (België, Nederland, West-Duitsland), weinig aandacht aan een verzorgde uitvoering of lukte het gewoon niet beter? Feit is dat deze stroming vooral werd toegepast bij de ‘betere’ kastelen en Engelse colleges waar duidelijk een hoge eis werd gesteld aan de afwerkingsgraad. Maar dat het hier ook niet van een leien dakje liep blijkt uit heel wat teruggevonden voorbeelden, net bij deze Fransekastelen en Engelse Colleges, waar minder goede uitvoeringen werden overschilderd om toch een verzorgder uitzicht te realiseren. Allicht waren hier ook meer financiële middelen voorhande
n.

 

 

In ieder geval was het van in de beginne binnen de baksteenrevival een gekend gegeven met decoratieve mogelijkheden. De frequentie van voorkomen in cijfers vatten, is een extra moeilijk gegeven. Want hoe inventariseer je dergelijke decoratieve motieven die ganse gebouwen opvullen naast individuele metseltekens? Als je wat rekening zou houden met oppervlakte maken de vlakvullende patronen zeker de helft uit van het metseltekenverhaal.

Het midden van de 18de eeuw kan worden gezien als eindpunt voor de klassieke metselaarstekens (zie ook verder).  Maar net als bij de individuele tekens is ook de gevel- of vlakvullende stroming de inspiratiebron geweest voor nog latere bouwwerken op erg verspreide locaties. “Diaper patterning”, het ruitvormig patroon, zoals benoemd in de Engelse literatuur (afgeleid van diamond patterned’), “entrelacs of “appareillage en losanges“, als genoemd in de Franse, is het meest voorkomende gevelvullende patroon. Het vond zelfs zijn weg naar Amerika met gebouwen in west en zuid New Jersey, gebouwd door Engelse Quakers en in de Hudson River Valley van New York, in West-Vermont.  

 

Kan deze sprong in de nauwkeurigheid van uitvoering verklaard worden door het feit dat de vrij plotse massale productie en verwerking van baksteen, gestuwd door een grote vraag, de specifieke aandacht voor het detail deed vervagen? Of volgde dit uit een wat moeizame overgang van natuursteenbouwtradities naar de ontwikkeling van metselwerkverbanden en specifieke metseltechnieken?

Verder moet de explosieve vraag naar baksteen en metselaars aanleiding gegeven hebben tot een nieuwe generatie van steenbakkers en metselaars die geen directe band meer hadden met de meer geschoolde steenkappers en natuursteenmetselaars. Werd de kwaliteit van uitvoering in de nieuwe, eerder laaggeschoolde (baksteen-) metselaarsklasse wat minder nauw genomen?

 

Bleef baksteen in de meeste regio’s van West Europa toch een wat tweederangs, meer ‘volks’ product? De verwerking van baksteen was, zeker in de lage landen, van een andere nauwkeurigheidsorde dan deze van vormgegeven natuurstenen.
 
Vorige pagina                                                     Volgende pagina