De Metselaar‎ > ‎Inleiding‎ > ‎

Middeleeuwse baksteenrevival

In de tweede helft van de twaalfde eeuw is er een plotse terugkomst van het baksteengebruik in Denemarken en Noord-Duitsland met een eeuw later een snelle verspreiding over gans West Europa. Misschien praten we beter niet over een ‘terugkomst’. Het aantal oudere bakstenen gebouwen was inderdaad erg beperkt en baksteen werd vooral als een secundair materiaal bekeken. Maar opeens bleek baksteen wel een geschikt materiaal te zijn voor mooie en nieuwe architectuur, en een betaalbare oplossing voor de explosieve vraag.
In Oost-Duitsland, Denemarken en Polen investeerden gezagsdragers (via Italiaanse invloeden?) plots meer in dit secundair materiaal en lieten de eerste grote baksteengebouwen oprichten: de kathedraal van Ratzeburg, kathedraal van Roskilde (midden 12de eeuw), St-Bendtskerk in Ringsted (midden 12de eeuw).
 
Vanaf 1230 deed zich in West-Europa een explosie voor van abdijen en kloosterordes met nood aan gebouwen. De Cisterciënzers speelden hierin een belangrijke rol.
  

Ook ordes als de Duitse of Teutoonse, in 1190 op initiatief van kooplui uit Bremen en Lübeck opgericht in Akko bij Jeruzalem, bouwden een heel imperium uit met tal van bakstenen kastelen, vanuit Polen, over Duitsland tot bij ons Alden Biesen, de hoofdzetel van een ‘Limburgse’ balije met 12 onderhorige commanderijen. Met hun Poolse kastelen in Mariënburg (Malborg, vanaf 1274) en Radzyn Chelminski (rond 1300) staan ze mee aan de wieg van de nieuwe stroming.

 

Naast hogere overheidsinitiatieven kan men ook spreken van een geleidelijke democratisering van de baksteen. Bij de verstening van gebouwen die meer in de invloedssfeer van de lagere klassen vallen zoals dorpskerken, wijkkapellen, hoeves en stadswallen wordt baksteen steeds vaker het materiaal bij uitstek.

 

 

Vorige pagina                                    Volgende pagina