De Metselaar‎ > ‎

Metselaarstekens

Een metselaarsteken is een in metselwerk aangebrachte decoratieve figuur door middel van selectief gebruik van afwijkend gekleurde bakstenen. Het gaat veelal om de koppen van de bakstenen. Slechts uitzonderlijk wordt het metselwerkverband niet gevolgd.
Metselaarstekens komen voor in heel Noordwest-Europa vanaf de wederopkomst van baksteen als bouwmateriaal (twaalfde eeuw). De grootte varieert van enkele decimeters tot gevelvullende motieven. Vanaf de achttiende eeuw neemt het gebruik af, in protestantse gebieden zelfs vanaf 1570. De tekens komen voor van Polen en het oosten van Duitsland tot in Engeland, vanaf de noordelijke helft van Frankrijk tot Denemarken.
De Romeinse legioenen kenden de technieken om bakstenen te bakken. Via hen raakte de toepassing ervan verspreid. Wanneer de Romeinen werden verdreven uit West-Europa, verdween ook het baksteengebruik. Pas in de tweede helft van de twaalfde eeuw kwam baksteen terug als veelgebruikt bouwmateriaal. Vooral vanaf de dertiende eeuw deed zich een explosieve groei voor van de bevolking met een enorme nood aan kloosters, kerken, kastelen en burgerlijke gebouwen, waardoor in regio's met een beperktere aanwezigheid van natuursteen, baksteen veelvuldig het verkozen bouwmateriaal werd. 
De beperkte mate van controleerbaarheid van het bakproces in de primitieve ovens van weleer leverde afwijkend gekleurde misbaksels op. Het kleurcontrast van deze misbaksels werd door de metselaars creatief gebruikt in het metselwerk als apotropaeïsche motieven. Men zocht actief naar bescherming tegen de alom aanwezige boze geesten, of tegen onheilskrachten als bliksem. Aangezien veel metselaars ook in het buitenland werden gevraagd was dit gebruik gekend en werd het vrij algemeen toegepast. Vanaf de achttiende eeuw verdwijnt de toepassing van metselaarstekens geleidelijk. Het afnemend gebruik gaat echter in katholieke regio's gepaard met de toenemende toepassing van gevelkapellen. De apotropaeïsche reflex blijft doorleven bij de gelovige katholieke bevolking. In Nederland komen metseltekens voor tot ongeveer 1570. Vanaf het begin van de reformatie verdwijnt het gebruik.
In België en het noorden van Frankrijk overleeft het gebruik langer. In regio's als West-Vlaanderen komen meer creatieve composities voor van de oude metselaarsfiguren. In gelovige rurale gebieden blijven vooral calvaries nog lang in trek.

Gevelvullende patronen zijn een aparte toepassingsvorm van de metselaarstekentraditie. Kleine gevelvlakken, grotere geveldelen of zelfs complete gevels worden gevuld met een of meerdere patroonvormen. Veelal gaat het om ruitmotieven. Gezien de maatafwijkingen van de bakstenen was een verzorgde uitvoering echter bijzonder moeilijk. De voorbeelden in Nederland en België lijken vaak uitgevoerd op een weinig verzorgde wijze. De toepassing hiervan overleeft dan ook vooral in de rijkere kastelen of herenhoeves in Polen, Noord-Frankrijk en Engeland. De rijkere bouwheer kon een meer verzorgde uitvoering eisen. En waar dit nog niet lukte, zoals bij de naar perfectie strevende Tudors in Engeland, werden de gevels overschilderd waarbij de onvolmaaktheden in het metselwerk werden weggeschilderd. In Polen en Oost-Duitsland zijn er heel wat voorbeelden van patronen met schuine lijnen, vaak draaiend rond torens. In Frankrijk komen dan weer toepassingen voor van diverse types van ruitmotieven. Ook al heeft deze toepassingsvorm apotropaeïsche bedoelingen, toch is het decoratieve aspect hier zeker niet onbelangrijk.


Het aanbrengen van individuele bezwerend/beschermende tekens vormt echter de meest voorkomende toepassingsvorm. De metselaars putten hun inspiratie uit een arsenaal aan oraal overgeleverde tekens. Heden ten dage komt dit eerder vreemd over en men is dan ook geneigd om dé betekenis ervan te willen zien, zoals bij tekens uit het alfabet. Die omlijnde betekenis is er echter niet. Voor hen was de betekenis allicht even vaag en onbestemd als voor de hedendaagse mens. Wat maakt dat het teken een zekere spanning genereert die net ideaal is in de zoektocht naar bescherming. Vaak wordt er dan ook gecombineerd of worden meerdere tekens naast elkaar geplaatst. Wanneer het ene niet helpt zal allicht het andere dat wel doen!

Ruwweg kan het metselaarsteken-fenomeen opgedeeld worden in drie fasen, alhoewel de grenzen vaag blijven en kunnen verschillen per regio. Tekens van uit de eerste generatie komen ook voor in de latere generaties. De eerste generatie wordt gekenmerkt door de zuiver beschermende/bezwerende aard. Tekens komen voor op alle mogelijke plaatsen van een gebouw. De geesten waarvoor ze bestemd zijn zullen ze wel zien. Vanaf ca. 1500 is er een verschuiving merkbaar en wordt de boodschap meer gericht naar de voorbijganger. Die moet het apotropaeon zien. Tekens worden vanaf dan ook quasi louter in straatgerichte gevels geplaatst. Soms krijgen ze hierdoor een meer mededelend accent of inhoud (zoals jaartallen, vanaf het einde van de 16de eeuw). In deze tweede generatie lijken tekens met heidense oorsprong te worden verchristelijkt of te worden opgevolgd door katholiek getinte tekens: hartvormen (gezien de verering van het heilig hart vergelijkbaar met het kruis), ruitkruisen (of toverknopen). Tekens van na 1700 worden beschouwd als de derde generatie (ook wel de 'neo-tekens' genoemd). De apotropaeische bedoeling vervaagt stilaan. Het decoratieve aspect wint steeds meer aan belang. Er komen af en toe pseudo-figuren voor.

Een gedetailleerde omschrijving van de basis-tekens vindt u vanaf deze pagina. Hier vindt u een samenvattend overzichtsschema van de metselaarstekens.