De Metselaar‎ > ‎

Kempen versus Thiérache

De parallel tussen de Kempen en de Franse Thiérachestreek (Aisne, Noord-Frankrijk)
 
Na de successieoorlog van 1482-1490 stelde het prinsbisdom Luik, waarvan de Limburgse Kempen deel uitmaakte, zich neutraal op. De regio bevond zich echter in een tussenzone tussen de grootmachten waardoor talrijke legerbewegingen doorheen het gebied een courant gegeven vormden. Tijdens de 80-jarige oorlog (1568-1648) was doortocht en verblijf van heel wat Spaanse en Nederlandse soldaten dagelijkse kost. Door de totaal ontwrichte financiële toestand van de staatskas van beide landen was het onmogelijk om de soldaten op regelmatige tijdstippen te beta­len. Wat betekende dat de huurlingen bijna steeds zonder geld zaten en zich als echte rovers gingen gedragen. Zonder leger (dit werd niet toegestaan in het neutrale prinsbisdom) was de plattelandsbevolking volkomen weerloos tegen deze uitgehongerde bendes. Er waren wel een aantal versterkte kerktorens maar het aantal was te beperkt en de afstand naar veel leefgemeenschappen te groot. De arme Kempen met zijn langgevelhoeves in vakwerkbouw met leemvulling had geen versterkte vierkantshoeves zoals in het rijkere Haspengouw.
Door zelfbehoud gedreven richtte de lokale bevolking dan ook schansen op. In bijna ieder gehucht werd rond een stuk laag gelegen, moerassige grond, soms een hectare groot, een gracht gegraven van 4à 5m breed. Met de opgedolven aarde werd een wal aangelegd (2à3m hoog) die met houtgewas werd beplant of met palen en vlechtwerk versterkt. De toegang werd afgesloten met een ophaalbrug en een poort, soms ook met een voorschans. Bij de minste onraad kon de bevolking zich hier ter verdediging ‘verschansen’ met have en goed. Gezien het ging om aarden constructies resten er nu niet zo veel sporen meer van deze primitieve bolwerken. Maar het enorme aantal opgerichte schansen bewijst dat de strategie wel degelijk functioneerde.
 

De Franse Thiérachestreek (centraal in het noorden van Frankrijk in het departement Aisne) zat op een vergelijkbare manier in een tussenzone tussen de strijdende grootmachten en kende dezelfde uitputtende pesterijen en strooptochten. De streek kende geologisch niet de moerassige lage gronden als in de Kempen, zodat andere defensieve oplossingen gezocht moesten worden. De democratisering van de baksteen gaf hier aanleiding tot het uitbreiden van bestaande gehuchtskerken met echte fortificaties en vestingstorens hetzij tot het bouwen van nieuwe “Églises Fortifiées”, hoofdzakelijk in baksteen. In de modelkerk werd de gelijkvloerse ruimte vrijgehouden voor het groot vee en alaam. Op de verdieping meestal boven het schip was een ruimte voor kleinvee en voedselopslag. De hoeken van de kerk werden versterkt met torens voorzien van schietgaten ter verdediging van iedere zijde van het gebouw. De toegang tot de kerk werd uitgebouwd tot een grote vestingstoren met een defensief verdiepingsplatform en erboven een aparte leefruimte met haard en alles wat nodig was voor de buurtgemeenschap om een aantal dagen te overleven. ‘Une Bréteche’ werd voorzien als werpgat naar de belegeraars, terzelfdertijd dienstig als latrine.

 

De bakstenen constructies hebben de tijd wel getrotseerd en spreken nu nog tot de verbeelding. Zij zijn bovendien rijkelijk voorzien van metseltekens.

 

Metseltekens in de Thiérache              (fotomateriaal ?)

Een intensief eendaags bezoek van deze streek leverde 330 metseltekens op, op een 60-tal gebouwen. Uit deze weliswaar onvolledige verzameling komen toch een aantal duidelijke specifiteiten naar voor. Baksteen wordt in deze streek als gedemocratiseerd materiaal pas in de godsdienstoorlogen erg populair en gaat overwegen op het gebruik van natuursteen. De kerken uit de grotere centra blijven (of waren) desalniettemin grotendeels uitgevoerd in natuursteen.

 

Het gros van de metseltekens dateert uit de 16de – 17de eeuw met uitlopers naar de 18de – 19de eeuw. Een exacte datering van een aantal tekens vraagt in ieder geval nog heel wat extra onderzoek.

Waar dit in Kempen-Hageland-Haspengouw werd gedefinieerd als de meer mededelende- decoratieve periode, lijkt dit gegeven hier te worden bevestigd. 21.3% van de tekens is louter decoratief, vlak- of gevelvullend. Verder zijn een volgende 20.9% hartvormen. Men wilde zich duidelijk als katholiek manifesteren. Ook de toverknoop, als bezwerend-beschermend teken van de tweede generatie, scoort heel erg hoog (8.6%) evenals de jaartallen (7.1%). Het calvariekruis als blijvend afweerteken komt toch ook nog 6.7% voor.  Hierbuiten scoort enkel de ruit als losstaand teken of in diverse combinaties heel erg hoog (samen 26.2%). Vaak zijn ruitcombinaties varianten van de toverknoop.

 

Anderzijds blijkt er een groot verschil in het aantal tekens per gebouw gezien de 14 best voorziene kerken goed zijn voor 53.5% van de tekens (het kasteel Marfontaine meegerekend 60.2%). Een aantal kerken zijn rijkelijk versierd, terwijl het gebruik van tekens zeker voor de latere gebouwen nadrukkelijk vermindert (net als in Kempen-Hageland-Haspengouw).

Opvallend is dat maalkruisen, odalfiguren en kelken slechts heel beperkt voorkomen.  Er enkele specifieke kruisvormen die typisch lijken voor de streek (vb. Beaurain). Hexagrammen en levensbomen werden helemaal niet teruggevonden.

 

De metseltekens in de Thiérache lijken dan ook te passen in het eerder geschetst kader en zijn als overwegend tekens uit de tweede generatie, eerder mededelend. De heropleving van het baksteengebruik is hier wel beduidend later gestart. Het gebruik van letters, wat in Kempen-Hageland-Haspengouw helemaal niet werd teruggevonden, en (latere) jaartallen tonen aan dat de metseltekentraditie in de Thiérachestreek later langer heeft nagegalmd in een periode dat het al leek ‘vergeten’ in Kempen-Hageland-Haspengouw.

De parallel met Limburg wordt nog versterkt wanneer in de kerken ook een aantal natuurstenen inserties worden teruggevonden. Of het hier ook om grafstenen zou gaan, is op heden alles behalve duidelijk. Op dit vlak staat het onderzoek nog nergens. Maar er kan wel al worden opgesomd: Jeantes-La-Ville: 4 inserties (rechthoekig), Dohis: 3 inserties (2x kruisvorm + rechthoek),  Cuiry-les-Iviers (tau-kruisvorm),  Archon (1x ovaal),  Saint-Algis (1x ruit), Sorbais (1x rechthoekig), Vervins (1x rechthoekig).

 

vorige pagina