Maalkruisen

 
Tessenderlo, voormalige norbertijnenpastorij, nu dekenij
 
Runentekens zijn allicht afkomstig van de Etrusken en zouden ontstaan zijn rond 250 à 150 v. Chr. Aangezien ze ergens werden in gekrast of gesneden, of met stokjes werden gevormd zijn al de tekens een combinatie van rechte lijntjes. Ze werden gebruikt als alfabet maar ook als ornament of magische boodschap. Een teken had dan ook veel meer betekenis dan enkel maar een letter.

Futhork en Futhark zijn latere varianten van het runenschrift gebruikt door Angelsaksen en Vikingen (zie hoger schema). Na 1200 werden de runen verdrongen door het Latijnse alfabet. De vraag kan met reden worden gesteld in hoeverre en waar het runenschrift effectief werd gebruikt. In ieder geval blijkt dat enkele runen en/of aan de runen verwante tekens in het collectief geheugen zitten gegrift met een vaag omlijnde maar voor de Middeleeuwer fundamentele betekenis.

 

In het runenalfabet is X  'Gebo', gave, erfelijkheid. Het beeldt de tegenstelling uit tussen het mannelijke (rechts) en het vrouwelijke (links), de strijd tussen winter en zomer. Het maalteken werd dan ook aanzien als een teken voor de vereniging van beide krachten waaruit verjonging en vernieuwing en ook de heropstanding van de zon voortkomen. In de loop der tijden wordt het teken letterlijk 'vermenigvuldiging' (vruchtbaarheid). "Bede tot een goede opbrengst"? Het christelijke St-Andrieskruis heeft een vergelijkbare betekenis. Als metselteken komen ze voor in afmetingen van klein tot (heel) groot.

Ter versterking (of decoratie) van het maalkruis worden soms op de 4 uiteinden kleine ruitjes weergegeven. 
 
Het woord Maal (mallus,malus) kon ook verwijzen naar het rechtsgeding, de justitie in de middeleeuwen. Bij de Germaanse stammen die in onze streken woonden, de Friezen, de Saksen en de Franken, kende men de dingplaats, de plek waar recht werd gesproken (normaliter op de dinsdag ( = dingsdag), mogelijk ook genoemd naar de goed Tiwez of Tyr; vgl: fries: Tiisdei). Op de mallus (malus) of malberg (verlatijnst: in mallobergo = soort forum) kon iedereen de ander dagvaarden oftewel gerechtelijk aanspreken. Dit gerechtelijke dagvaarden heet in de Salische wet (Lex salica) ad mallum mannire, wat voor het gerecht dagen betekent. Om de rechtsgang te waarborgen moest men zijn malinge of maninge naar voren brengen voor de rechtsprekende instantie.
De enorme verspreiding van maalkruisen (en ruiten) zowel op kerken, kastelen als boerderijen spreekt verder tegen dat hiertussen een link is, zoals voorheen vooral door professor Knippenberg werd verdedigd. En zoals H.Strijbos terecht opmerkte: 'Maar gesteld dat de tekens in de rechtsspraak of anderszins een voorname rol speelden, waarom zouden ze zich dan beperken tot gebouwen die in baksteen zijn opgetrokken? Met het gebruik van een ander materiaal verandert toch niet de rol van het recht in de maatschappij?'
 
Het gebruik van de X als maal-teken in de wiskunde is ook ouder. En wie gaat bevestigen of dit X-teken destijds wel 'maalkruis' genoemd?
 
Waar in Balen (B-Antwerpen), in Ter Apel (NL-Groningen), in Duizel (NL-Noord-Brabant), en in Diessen (NL-Noord-Holland) dubbele, overlappende  maalkruisen voorkomen, vinden we in de Thiérachestreek dubbele ‘open’ andrieskruisen terug op de kerken van Beaurain, Englancourt, Esquéhéries, Erloy, Gronard en Lavaqueresse (zie de 2 rechts geschetste vormen).

 

vorige pagina                                    volgende pagina