ICONOGRAFIE‎ > ‎Grotesken‎ > ‎

De Groene Man (Green Man)

In 1939 benoemt Lady Raglan een eeuwenoud fenomeen met haar artikel: The green Man in Church-Architecture. Een groene man is een voorstelling van een gezicht (gestalte) waarvan de baard- en hoofdharen zijn voorgesteld als bladeren, soms met takken die verder uit de mond, ogen en/of oren lijken te groeien. Soms dragen ze vruchten. Meestal is de voorstelling mannelijk, soms echter ook vrouwelijk. Het is een fenomeen met enorm veel variaties en is terug te vinden in de West-Europese ornamentele beeldhouwkunst, in houtsnijwerk, in verluchte manuscripten, brandglazen en in folklore. Maar ook in tal van oude culturen (China, India, Thailand, pré christelijke culturen) zijn vergelijkbare voorstellingen terug te vinden. Naast menselijke figuren zijn er ook dierlijke varianten. Hij lijkt steeds goedaardig en, streekgebonden, meer of minder voor te komen.
De wijde verspreiding en de ouderdom van de voorstelling verwijzen toch wel naar de vroegere oergodsdienst waarin moeder aarde alle leven genereerde en regenereerde. In deze zin is het een (later verchristelijkte) heidense voorstelling van de regenererende macht van de natuur (God?), het verhaal van de menselijke eenheid met de natuur. Een uitleg voor het waarom wordt gegeven door Joke en Ko Lankester in hun boek de groene man en de groene vrouw (Zie 'Waarom 1') 
 
Voor zover de voorstelling kan worden gecatalogeerd lijkt hij thuis te horen in de mythologische familie van de tweeslachtigen (liminal beïngs)  waarin de centauren (half paard, half mens), de faunen (half paard of geit, half mens met horens en panfluit), sirenes en zeemeerminnen (half vogel/vis en half vrouw) de meest bekende zijn. De groene man is inderdaad half mens-half natuur (phytomorfen). Dergelijke mythologische figuren werden in de Middeleeuwen nieuw leven in geblazen dooBestiaria-publicaties. Maar daarin kwam de groene man niet voor. De enorme verspreiding van de voorstellingen tonen aan dat hij zeker tot de verbeelding sprak. Maar allicht speelde dit zich (net als de metselaarstekens) vooral in orale overleveringen af, gezien hij pas in 1939 een eigen benaming kreeg.