ICONOGRAFIE‎ > ‎

Grotesken

Grotesk komt van het woord 'grot'. Op het einde van de 15de eeuw werd in Rome na de brand van Rome door Nero gebouwde Domus Aurea-paleis, herontdekt. De resten lagen begraven onder zoveel puin van volgende bouwwerken dat men dacht dat het versierde grotten waren. De plafondschilderingen waren opmerkelijk goed bewaard en zij hebben de schilderkunst van de late Renaissance en het Maniërisme sterk beïnvloed. Opvallend was de invloed van de grotesken op Rafaël die de stanzen in het Vaticaan versierde met aan de grotten ontleende motieven.
Het aantal toegepaste motieven en voorstellingen is erg uitgebreid. Komen o.a. voor: s-vormige voluten met gliefen, cornucopia of hoorn des overvloeds, kleine gevleugelde engeltjes, engelkopjes met vleugels, hybride figuren: zoömorfen (combinatie van een wezen van de aarde of de zee, met een wezen uit de lucht), teratomorfen (vooral draken), phytomorfen (mensen of dieren die uit planten bestaan vanaf hun middel of als uitloper van benen, poten of staart), bestaande dieren, fabeldieren, antieke vazen en amforen, ronde medaillons met gliefen, geblokte en gestrikte linten, gekroonde hoofden waarvan de lange haren uitlopen in bladmotieven, guirlandes met vruchten en planten, al dan niet voorkomend in de natuur, slingers opgehangen aan de achtergrond, vazen met leliebloemen, cartouches met opschrift of met jaartal, guirlandes met fruit- en plantenmotieven, guirlandes met Bourgondische emblemen zoals de vuurslagen, kandelabers gezichten in bladmotieven (maskerons of maskeroens), grisailleschildjes met AVE en MARIA, pijlenbundels met linten bijeen gestrikt, wapenschilden met omkadering, metalen halsbanden, al dan niet met edelstenen versierd, mythologische figuren, gehistoriseerde scènes en landschappen, theatermaskers, sfinxen, hermen, nimfen en saters, militaire trofeeën...

Wanneer de toepassing zich als vlakvullende (ranken-)ornamenten vanuit Italië verspreide, werd het in die context vaak gelijk gesteld met arabesk en moresk.   

Minstens sinds de 18de eeuw werd grotesk een algemeen naamwoord voor vreemd, fantastisch, lelijk, ongerijmd of walgelijk. Grotesken roepen bij het publiek veelal ofwel een oncomfortabel bizar gevoel dan wel een empathisch medelijden.

Rémi Astruc heeft het fenomeen beschreven in "Le Renouveau du grotesque dans le roman du XXe siecle". Hij onderscheidt in al de grotesken drie stijlfiguren: dualiteit, hybriditeit en metamorfose.  Hij toont aan dat de grotesken functioneren als een fundamenteel existentiële ervaring. Het gaat volgens hem allicht om een cruciaal en mogelijk universeel antropologisch hulpmiddel om anders-zijn en verandering te conceptualiseren.

Op de navolgende pagina's wordt vooral aandacht besteed aan hybride figuren, fabeldieren, hoofden... minder aan de decoratieve vlakvullingen.