Folk Art Ornaments

Volkskunst is een vorm van toegepaste kunst die terug te vinden is in/op kamers, meubelen, borden, kleding en persoonlijke versieringen, keukengerei en huishoudelijk gereedschap, architecturale ornamenten, transportmiddelen en paardetuig. De natuur van het gebruikte materiaal: hout, metaal, keramiek en klei, glas en textiel beïnvloedt de versieringen. Maar de uitvoeringstechniek: krassen, snijden, lijst-, smeedijzer-, schilder-, borduur, brei- en vlechtwerk, weven en knopen of combinaties hiervan. De vorm van het voorwerp zelf biedt het veld om een versiering te ontwikkelen. De versiering op zich kan dan ook de vorm gaan beïnvloeden. Of het ornament kan het gebruik gaan beïnvloeden: mooiere versieringen leiden bijvoorbeeld tot een gebruik bij feestelijkheden. Het voorwerk kan evolueren van utilitair naar decoratief.
Vanaf de 16de eeuw circuleren er heel wat voorbeeld-boeken van ornamenten wat de ontwikkeling en verspreiding ervan beïnvloedt. Het stimuleert het aantal toepassingsvormen en leidt tot veel varianten. 
Historisch is er een evolutie vast te stellen in het doorsijpelen van decoratieve kunsten in adellijke kringen naar de volkskunst.
Het object dat wordt voorzien van decoratieve motieven bepaalt mee de techniek en vorm van het motief. Bij metselaarstekens zijn de schuine lijn (45°) en de horizontale in het metselwerkverband het meest voor de hand liggend. Idem voor smidstekens die met een bijtel worden geslagen in het gloeiend hete ijzer of tekens in dakbedekking. Dit beperkt vanzelfsprekend het aantal mogelijke motieven.
Lineaire ornamenten: komen frequent voor bij (gedraaide) kleiproducten aangebracht met vinger, nagel, stempels... Op houten kisten met nagels of passers (krassen, snijden...): repetitieve motieven met cirkels, halve cirkels, zigzag, andrieskruisen.
Ornamenten getekend met een passer: