De Voorbijganger‎ > ‎

Tekens in mergelgrotten

Het gebruik van mergel als bouwsteen is vooral gekend in de late Middeleeuwen (XIIIde eeuw) met een hoogtepunt rond de XVde, XVIde en XVIIde eeuw. Er werden tal van verwezenlijkingen gerealiseerd in religieuze en burgerlijke architectuur vaak met een erg verfijnde vormgeving. Het afzetgebied rijkte tot in Noord-Holland, van het Maasland tot aan de Rijn en op de Kempische hoogvlakte. Er werden enorme hoeveelheden mergelsteen ontgonnen in de streek Riemst - Maastricht.
De ondergrondse groeves brachten een echt mijnwerkersleven met zich met zijn eigen geäardheid en gebruiken. Het ondergrondse werken, enkel bij het licht van olielampjes, later carbidlampen, onder het waakzame oog van tienduizenden vleermuizen, schiep een hallucinante sfeer. Het altijd dreigende gevaar van instorting, de angst voor de eenzaamheid, het volks-religieuze gevoel van demonische aanwezigheid, gaf aan de uitbating een bijzondere geladenheid.
Vandaar het zich uiten in fantastische, religieuze of malefieke voorstellingen, vermengd met naamtekeningen, religieuze en obscene tekeningen of herkenningstekens. Veel tekens zijn aangebracht met houtskool of met een zachte rode steen.
De uitbating van de gangen is begonnen aan de bovenzijde en geleidelijk aan naar de diepte geëvolueerd. Vandaar ook heel wat aanduidingen en inscripties op het plafond en in de bovenste lagen. Later werden de gangen dieper uitgegraven. Het zaagafval bleef op de bodem van de gangen of werd gebruikt om kalkarme zandige gronden te verrijken. Er werd gezocht naar horizontale toegangen om het steenvervoer met karren en later vrachtwagens, toe te laten. Dit verklaart de wirwar van gangen, zalen, doorsteken en rustpijlers.

Voorbeelden van tekens in mergelgrotten (Mathieu Driessen).