De Voorbijganger‎ > ‎

Duivelskrassen/Slijpgroeven

GB - Wales - Corwen - Eglwys Llangar church 
D - Freiburg, Freiburger Muenster, 'Wetzrille' (photo Jungkind)
Prenzlau
Op tal van heel oude gebouwen over gans West-Europa vinden we eigenaardige uitgeslepen holtes terug. Gezien onderhouds- en restauratiewerken zullen allicht veel van deze holtes verdwenen zijn. Maar de overgebleven sporen blijken toch talrijker dan je zou denken (vondsten in eigen omgeving ?).
Voor het fenomeen bestaan diverse lokale benamingen:
D:   Schabemarken, Schleifspuren, -rillen, -mulden, Wetzrillen, -zeichen, -furchen, -marken, -spuren, Pestrillen, -furchen, -schaben, Fieberrillen, Teufelskrallen, -kratzen, Kratzspuren; Reibeschälchen, Quirl-, Rund-, Schabnäpfchen, Ausbohrungen, Seelenlöcher 
DK: aebleskivestene (Äpfelscheibensteine, nach einem Festgebäck), skaltegn (Schalenzeichen)
F:    cuvettes, pierres a écuelles, polissoirs, 
griffes du diable
I:    Copello
GB: sharpening grooves, carvings, cup marks
N:   Skalgroper
NL:  duivelskrassen, duivelskuiltjes, schaalkuiltjes, napjes
PL:  kubki i pregi (Näpfchen und Rillen)
S:    slipskåror, elfstenar, elfquarnar, skålgropar

Navolgend worden een samenvatting gedestilleerd uit het uitgebreide onderzoek van Peter Schels: Schabespuren auf Stein (Rillen und Näpfchen) - 18.05.2014
Wat?: Typologie :
1. Krassen van het type R (krassen, Rillen, Schwertrillen, Schwedenhiebe): zijn tussen 10 en 50 cm lang, enkele mm breed en diep (foto links)
2. Slijpsporen van het type S ('schip'-vormig): Doorsnede U- of V-vormig met wisselende afmetingen: ca. 10-25 cm lang; 3 cm breed, 2 cm diep. Op natuur- of baksteen, zonder de voegen te overschrijden. Soms lepelvormig met breed afgeronde uiteinden. Soms mosselvormig (foto midden).
3. Slijpsporen van het type N (Näpchen): rond - panvormig. In Natuursteen met doormeter 2 tot 8 cm, diepte 1.5 tot 3 cm. In baksteen met kleinere diameters (foto rechts).

     Andere slijpsporen bevinden zich op (losse, onbewerkte) stenen die op diverse plaatsen worden terug gevonden, van in de oudheid. Hier lijkt het hoofddoel het slijpen van werktuigen of wapens.

Waarom? : De bedoeling van deze slijpsporen blijft vaag en onbewijsbaar. Tal van theorieën werden reeds vooropgesteld. De diverse benamingen spreken al voor zich. Peter Schels onderscheidt 3 categorieën: 

De meest plausibele verklaring (maar niet bewijsbaar) is dan ook dat de krassen een apotropaëische uiting zijn van het volksgeloof waarbij werd geloofd in een heilzame werking van het uitgeslepen stof voor mens en dier. Helend zand wordt trouwens tot op heden nog in diverse toepassingen gebruikt (als in modderbaden). In latere periodes kon het stof mogelijk ook worden aangewend als heimat-amulet dat mee gedragen werd door soldaten, huurlingen of emigranten.
Een voor de hand liggend werktuig om dergelijke krassen te maken waren vuurslagen. Deze waren wijd verspreid, beschikbaar voor iedereen, vormvast en voldoende hard.